B E R D Z A G E R S    (door Guido Gezelle)    
Zijn' vuisten, tend den okselen
     gesloofd, en opgeheven;
van schouder en van longen sterk,
aanziet mij, zes voet hooge aan ‘t werk,
den zager, die vooroverhelt,
terwijl hij vast zijne oogen velt,
     en volgt de zwarte schreven.
Van onder staat zijn' werkgenoot,
     de kin omhooge, och armen,
gedwongen en gewrongen, als
een afgebeulde slavenhals,
te heffen en te halen, dat
hij steent erbij, aan ‘t zageblad,
     met alletwee zijne armen.
Het eeken lijf gebonden ligt,
     vanboven, op de schragen;
en krammen doen, in ‘t bol gehaakt,
den ouden boom, al moedernaakt,
zijn schoonheid af en boeien aan,
den al te wreeden wil verstaan
     des menschen, en verdragen.
Hij zucht! De zage zingezangt,
     en spot met zijne ellenden;
heur' tanden teren ‘t altemaal
aan stukken; ei! dat bitter staal
en rust niet, eer ‘t, in balke en berd,
vaneen en schoer zijn edel hert,
     zijn lijf, zijn' leęn, zijn' lenden.
o Zager, man, omleegedaalt,
     en wilt een' wijle wachten:
gezeten nu, in ‘t zagemul,
uw maat en gij, de kruike vul
nen dienaar doet, die ‘t zware van
den arbeid u verlichten kan,
     verzoeten en verzachten